Het concept-pensioenakkoord gewikt en gewogen

http://gerardbosman.com/

Het concept-pensioenakkoord roept veel emoties op bij voor- en tegenstanders. Er staat dan ook veel op het spel. Het gaat over veel geld, diverse grote belangen en over visies op de verzorgingsstaat. Helaas wordt er door voor- en tegenstanders in het debat over het concept-pensioenakkoord ook veel onzin verkocht. Het is ook een complexe materie, en veel mensen hebben zich er weinig in verdiept, wat hen niet hindert om wel allerlei beweringen te doen. En natuurlijk wordt er ook bewust gemanipuleerd met informatie, in een poging stemmers bij de FNV te overtuigen. Ik doe een poging wat duidelijkheid te verschaffen, weeg de voor- en nadelen, denk ook na over mogelijke alternatieven, en kom uiteindelijk tot een oordeel. En ik verklap hier al dat ik, alles afwegende, tegen zal stemmen.

Het concept-akkoord gaat over twee hoofdonderwerpen, de AOW-leeftijdsgrens en het pensioenstelsel. Daarnaast zijn ook afspraken gemaakt over een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp-ers en is in de financiering een bezuiniging voorzien op de fiscale subsidies aan werkgevers voor lage inkomens. De laatste twee elementen blijven in deze analyse buiten beschouwing. Het zijn m.i. wel de twee beste onderdelen van het hele concept-akkoord, maar gaan niet over pensioenen of de oudedagsvoorziening.

Het is goed je te realiseren dat het Nederlands pensioensysteem uniek in de wereld is en terecht het beste ter wereld genoemd wordt. Dan wordt gedoeld op het totale systeem van oudedagsvoorzieningen, dat uit drie pijlers bestaat. De eerste pijler is het basispensioen, de AOW. De AOW wordt deels met premies door werkenden gefinancierd, en deels rechtstreeks uit de belastingopbrengsten van de rijksoverheid. Het is een omslagstelsel, de AOW-uitkeringen van een bepaald jaar worden uit de premie- en belastinginkomsten van dat jaar gefinancierd. Er is dus geen aparte spaarpot. Dan heb je de tweede pijler, dat zijn de aanvullende pensioenen. Het gaat hier om collectieve regelingen, afgesproken tussen werkgevers en werknemers, ofwel op bedrijfstakniveau, ofwel op ondernemingsniveau. De betreffende cao over de afgesproken pensioenregeling wordt automatisch door de minister van SZW verplicht gesteld voor alle werkgevers en werknemers waarop de cao van toepassing is. Bij aanvullende pensioen betalen werkgevers en werknemers premie en dat wordt gestopt in een aparte spaarpot. Je spaart dus zelf geld bij elkaar, als een vorm van uitgesteld loon – ongeveer 20% van je loon wordt daartoe ingehouden (je werkt een dag in je week voor je aanvullende pensioen). Deze financiering wordt kapitaaldekking genoemd: in plaats van de uitkeringen op jaarbasis direct om te slaan over de werkenden van dat jaar, spaar je geld op in een collectief beheerde geldpot. Dat geld wordt beheerd door een apart daartoe opgericht pensioenfonds, die dat geld zo goed mogelijk belegd. Deze pensioenfondsen worden per bedrijfstak voor 50/50 bestuurd door werkgevers en werknemers in die bedrijfstak. Bij ondernemingspensioenfondsen doet de werkgever dat meestal alleen. En dan is er nog de derde pijler, dat is wat je individueel daarboven op eventueel nog aan pensioen spaart bij een commerciële pensioenverzekeraar. De combinatie van verschillende financieringssystemen en het feit dat er zoveel geld bijeen gespaard is bij pensioenfondsen (ca. 1500 miljard euro) met een verplichtstelling maakt ons stelsel uniek en robuust.

De AOW

In het concept-pensioenakkoord staat met betrekking tot de AOW alleen iets over de leeftijdsgrens. Over de hoogte van de AOW, de premiefinanciering en de opbouweis (je bouwt alleen AOW-recht op als je in Nederland woont, emigranten en immigranten hebben daardoor vaak een AOW-gat) staat er helaas niets. Dat is aan de ene kant niet verrassend, want de bonden voerden daarvoor ook geen actie, maar aan de andere kant ook weer wel. De AOW is zo’n 10% te laag om van te leven volgens de Nibud-normen, hetgeen vooral mensen met geen of een zeer klein aanvullend pensioen treft, en ook de opbouweis veroorzaakt veel problemen. De gemiddelde inkomenspositie van ouderen is beter dan die van de gemiddelde Nederlander, maar in beide groepen is er grote ongelijkheid. Zo’n 25% van de gepensioneerden leeft van minder dan 21.500 euro per jaar. Deze gepensioneerden vind je vooral bij de oudere gepensioneerden (bij de 90-plussers 42,6%, bij 75-79-jarigen 30,5%), bij gescheiden vrouwen (hier is het 53,3%; zo’n 18% van niet gescheiden of verweduwde maar wel alleenstaande vrouwen leeft onder de armoedegrens) en bij niet-westerse allochtonen (59,4%, waarvan ruim 40% onder de armoedegrens).[1] De AOW-premie wordt alleen geheven op inkomen uit arbeid. Inkomen uit kapitaal en ook de bedrijven betalen niet mee uit hun winst, anders dan de steeds lager wordende winstbelasting. En bovendien zou een hogere AOW-uitkering de problemen bij de aanvullende pensioenen verkleinen: er behoeft dan immers minder aangevuld te worden. Maar daar brengt dit akkoord dus helaas allemaal geen verandering in. Iets voor een echt progressief kabinet, zo blijf ik dan maar hopen.

Over de AOW-leeftijdsgrens

Wel dus afspraken over de leeftijdsgrens. Die is bij de AOW van groter belang dan bij de aanvullende pensioenen. Dat komt door het verschillende financieringssysteem. Bij aanvullende pensioenen wordt de gelukkig toenemende levensverwachting meegenomen in de premieopstelling en de beleggingsstrategie, zodat er straks voldoende kapitaal is (daarover straks meer). Bij de AOW werkt de stijgende levensverwachting direct door in de AOW-premie en in de aanvullende Rijksbijdrage uit de belastinginkomsten. Hoe minder mensen werken in verhouding tot het aantal mensen dat AOW ontvangt, hoe groter per jaar de financieringsproblemen worden.

De gemiddelde levensverwachting stijgt in ons land snel. Een 25-jarige man in 1975 zou gemiddeld genomen 73,7 worden, een vrouw 79,5. Veertig jaar later, in 2015, wordt dezelfde man gemiddeld 81 en de vrouw 84,3. De berekeningen laten zien dat de pensioenrelevante levensverwachting van een 25-jarige met ruim een derde toegenomen is ten opzichte van veertig jaar geleden. De toename van de levensverwachting lijkt overigens wat af te vlakken. Op zichzelf is de stijgende levensverwachting natuurlijk fijn. We leven langer, waarvan ook een substantieel deel nog in goede gezondheid. Ouderen zijn nu veel actiever dan vroeger, al zijn er ook meer ouderdomsziekten en is eenzaamheid een groot en groeiend probleem.

Er wordt veel onzin geschreven over de financierbaarheid van stijgende AOW-uitkeringen door vergrijzing en ontgroening. Gek genoeg vallen de stijging van de uitgaven best mee als je ze uitdrukt in percentages van wat we met z’n allen verdienen. In de jaren 1970 – 2000 bedroegen de collectieve uitgaven gemiddeld meer dan 50% van het BNI (Bruto Nationaal Inkomen). Het aandeel personen van 65 jaar en ouder in de bevolking was in die jaren gemiddeld 15%, nu is dat aandeel 20%. De collectieve uitgaven als deel van het BNI zijn echter niet gestegen, maar gedaald. Deze uitgaven waren in 2017 circa 40% van het BNI. Deels komt dit doordat ouderen voor de overheid gemiddeld, ondanks de stijging van de leeftijdsverwachting, goedkoper zijn dan jongeren. Ouderen kosten vooral AOW en zorg, jongeren o.m. onderwijs, kinderopvang, jeugdzorg, kinderbijslag en studiefinanciering. Zelfs op het toppunt van de vergrijzing, zo rond 2060, blijft dat zo (Bron: NPB: Resultaten vergrijzing, maart 2019).

Als je dieper inzoomt op de AOW-uitgaven dan blijken die ook verrassend weinig te veranderen in percentage van ons nationaal inkomen. Sinds de jaren 1970 tot nu schommelen ze tussen 5,2 en 5,9%, en in 2015 was dat 5,5%. In 2017 waren de uitgaven voor de AOW € 36,5 miljard, ongeveer 5% van het BNI. De SVB (Sociale Verzekeringsbank) heeft in augustus 2015 een rapport over de toekomstige uitgaven voor de AOW uitgebracht. De schatting van de SVB was dat in 2040 het maximum wordt bereikt zijnde 6,5% van het BNI. Daarna daalt dit percentage weer. De reden waarom de overheid direct bijdraagt aan de AOW is niet wegens de gestegen uitgaven, maar vanwege de beperking van de heffingsgrondslag voor de premieheffing. Vóór 1989 werd deze grondslag berekend inclusief de winst uit sparen en beleggen en bedroeg vanaf € 0 tot en met 2,6 x minimumloon. Thans is deze heffingsgrondslag veel kleiner geworden, onder meer wegens de lagere bovengrens, die nu 1,7 x minimumloon bedraagt, en door kortingen zoals de algemene heffingskorting. Ook wordt de winst uit sparen en beleggen nu apart in Box IIII belast.

Als je het zo bekijkt, dan is zelfs een permanente pensioenleeftijd van 65 jaar prima financierbaar. Maar in de overheidsbegroting werkt het anders. Daar wordt uitgegaan van AOW-uitgaven gebaseerd op een stijgende pensioenleeftijd. Die stijging is besloten allereerst door een lente-akkoord met het demissionaire kabinet Rutte I (VVD-CDA met gedoogsteun PVV) in 2012 met de toenmalige oppositiepartijen D66, CU en GL tot 67 jaar, en toen nog eens versneld door Rutte II (VVD-PvdA), waarbij na het bereiken van de 67 jaar als pensioenleeftijd, deze 1 op 1 gekoppeld werd aan de dan optredende stijgende leeftijdsverwachting. Feitelijk werd daarmee het aantal jaren dat je een AOW-uitkering kon krijgen gefixeerd op gemiddeld 18 jaar. Op die gewijzigde, snel stijgende pensioenleeftijd is de overheidsbegroting sindsdien ingericht. Wil je nu dus de leeftijd weer verlagen, omdat – in de woorden van premier Rutte – die wel erg hysterisch snel omhoog ging, dan moet je dus ergens dekking daarvoor vinden. Rutte deed alsof dat alleen maar ten koste kon gaan van onderwijs en zorg, maar je kan natuurlijk ook de belastinginkomsten op bijv. kapitaal en winst verhogen.

Het concept-akkoord gaat uit van een tijdelijke bevriezing van de pensioenleeftijd op de huidige grens van 66 jaar en 4 maanden en dat stijgt dan in drie stappen (twee van drie en een van twee maanden) in 2024 naar een pensioenleeftijd van 67 jaar. Vanaf dan wordt de pensioenleeftijd niet meer 1 op 1 aan de stijgende, gemiddelde leeftijdsverwachting gekoppeld, maar voor 2/3. Dus 1 jaar langer leven betekent acht maanden stijgende pensioenleeftijd en dus langer werken en vier maanden extra AOW. Dat kost de overheid uiteindelijk maximaal 3,2 miljard euro per jaar aan extra AOW-uitgaven ten opzichte van de oorspronkelijke Rijksbegroting. Dit wordt gefinancierd doordat er – wonder oh wonder – net voor het akkoord nieuwe ramingen kwamen van het CPB, die hogere inkomsten en lagere uitgaven in 2060 voorspelden – ramingen die overigens nooit zijn uitgekomen. De inzet van de vakbonden en GL/PvdA was een koppeling op de helft van de stijgende levensverwachting. Dat zou zo’n 2 miljard per jaar extra hebben gekost. En het kabinet wilde eerst helemaal geen afspraak maken over na 2024, en later maximaal 2 maanden afdoen per jaar per stijgende levensverwachting. Acht maanden lijkt dan een redelijk compromis, dat de stijging tot 2060 bij de huidige prognoses (net) beneden de 70 jaar houdt. Maar voor 2 miljard extra zou dat beneden de 68 jaar zijn gebleven.

Is dat veel geld, 2 miljard extra? Bedenk dat dit jaar alleen al het begrotingsoverschot 11 miljard euro is. En dat we ruim 47 miljard euro per jaar mislopen aan belastingontwijking. Dat de opbrengsten van de winstbelasting van bedrijven door verlaging van tarieven sinds begin deze eeuw ruim 45 miljard euro per jaar omlaag zijn gegaan. En dat het effectieve tarief op inkomen uit kapitaal gemiddeld 9% is en dat op inkomen uit arbeid gemiddeld 40% is. Nederland is een van de rijkste landen ter wereld, maar we halen het geld steeds minder van waar het zit.

Ik behoor overigens niet tot de hardliners die geen enkele verhoging of zelfs een verlaging van de pensioenleeftijd willen. Ik heb de eis van bevriezing altijd als tijdelijk opgevat, en vindt het ook redelijk dat als we met zijn allen ouder worden, dat we dan een stukje daarvan minder langer werken. Maar 50/50 verdelen over langer werken en een langere AOW-uitkering lijkt mij meer dan redelijk. We leven niet alleen voor werken alleen, welzijn is meer dan langer werken.

Dat klemt temeer daar we hierboven steeds uitgegaan zijn van gemiddelde stijging van de levensverwachting, terwijl de spreiding heel groot is. Hoe hoger de pensioenleeftijd wordt, hoe groter dus ook de kans dat je die niet haalt en geen AOW-uitkering zal ontvangen, terwijl je wel premie betaalt.

Zware beroepen, lage inkomens en pensioenleeftijd

Maar er is nog iets aan de hand: De verschillen in leeftijdsverwachting zijn ook nog eens ongelijk verdeeld. Die van mensen met een lage opleiding en een laag inkomen blijven ver achter. De hoogste inkomens leven in Nederland gemiddeld 7,5 jaar langer dan de laagste inkomens. Kijken we naar de levensverwachting in goede gezondheid, dan loopt het verschil zelfs op tot ruim 18 jaar! Mensen met een hbo- of wo-diploma leven gemiddeld 72 jaar in goede gezondheid, laagopgeleiden slechts ruim 53 jaar. Dat betekent dat je met een laag inkomen veel minder lang van je pensioen kunt genieten. Wie na zijn 50ste een zwaar beroep uitoefent – metselaar, timmerman of verpleegkundige bijvoorbeeld – veroudert in een jaar tijd biologisch niet 12, maar 28 maanden, becijferde gezondheidseconoom Bastian Ravesteijn in 2016 in zijn proefschrift.

Laagopgeleiden beginnen gemiddeld eerder met werken en werken daardoor gemiddeld 10 jaar langer dan hoopopgeleiden. Ze betalen daardoor langer premies, betalen mee aan de studie van de hoogopgeleide en gaan gemiddeld eerder dood, dus krijgen minder lang een pensioenuitkering. De bedrijfsartsenvereniging NVAB heeft al gewaarschuwd dat het voor sommige werknemers nu al moeilijk is om de pensioenleeftijd te halen. Ze kampen vaker met aandoeningen. Het kan om fysiek zwaar werk gaan, maar ook bij veel stress en bij onregelmatige werktijden met ploegen- en nachtdiensten. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) komen er als we niets veranderen tot 2030 ruim 600.000 kwetsbare ouderen bij.

En juist de mensen die het gezondst kunnen doorwerken en een veel hogere levensverwachting hebben, gaan nu het jongst met pensioen. De gemiddelde feitelijke pensioenleeftijd gaat voor hoger- en lager opgeleiden steeds meer uiteenlopen: hoger opgeleiden verdienen meer, kunnen vermogen opbouwen (bijv. een huis dat verkocht kan worden of spaargeld), krijgen meer aanvullend pensioen, en kunnen zich daardoor vaker veroorloven om eerder met vroegpensioen te gaan.

Het was tegen deze achtergrond dat de vakbonden ook een regeling voor zware beroepen eisten, naast een generieke bevriezing op 66 jaar. Over die zware beroepen is feitelijk niets afgesproken in het concept-akkoord. Wel is afgesproken dat voor een periode van 5 jaar het mogelijk wordt dat sectoren of ondernemingen afspraken maken dat voor maximaal drie jaar (bepaalde) werknemers eerder met pensioen kunnen. Ze krijgen dan weliswaar geen AOW, maar de werkgever mag dat AOW-inkomen vervangen door een eigen pensioenuitkering zonder daar een fiscale boete van 52% over te hoeven betalen, zoals nu geldt voor zulke vroegpensioenuitkeringen (die daarom nu nauwelijks meer voorkomen). En de werknemer mag dan daar bovenop voor maximaal 2 jaar aanvullend vroegpensioen sparen, en dat wordt dan fiscaal ook niet belast. Daarnaast stelt de overheid geld beschikbaar voor omscholing en andere regelingen die langer werken eenvoudiger moeten maken. In totaal gaat het daarbij om 0,8 miljard per jaar wat het de overheid kost, maar het merendeel van de kosten moet door de werkgever en de werknemer zelf opgebracht worden. Het geld dat de werkgever bijdraagt gaat uiteraard of de kostensom die inzet is bij de cao-onderhandelingen. Het is merkwaardig hoe optimistisch de bonden daarover zijn, dat lijkt mij volstrekt misplaatst. De FNV-onderhandelaar stelt zelfs dat dit hun inzet was, zo blijven ze zelf aan het stuur. Ik vind het onbegrijpelijk, want dit gaat ten koste van de betreffende werknemers. Een gedifferentieerde AOW-leeftijd waarbij de politiek die grenzen in een akkoord met sociale partners vastlegt in de wet en de kosten uit de Rijksbegroting financiert is in alle opzichten beter. En juist werknemers met lage inkomens zullen nauwelijks pensioenspaar-mogelijkheden hebben. De kans is groot dat juist de hoge inkomens meer van dit soort regelingen gaan profiteren. Daardoor zou de ongelijkheid juist nog verder worden vergroot. Met de algemene stijging van de pensioenleeftijd is drie jaar bovendien en vooral veel te kort om de ongelijkheid in levensverwachting te compenseren. Wel wordt een studie in het vooruitzicht gesteld om in de toekomst de pensioenleeftijd te koppelen aan een 45-jarige arbeidsduur. Dat zou al een stuk beter zijn, maar waarom dat nu niet gedaan? Een regeling met een lijst van zware beroepen zou bovendien te moeilijk zijn, maar in België en Oostenrijk lukt dat wel, dus dat lijkt eerder een kwestie van onwil en angst voor moeilijke discussies in plaats van bestuurlijke en politieke moed te tonen voor het ongelijk behandelen van ongelijke gevallen.

De aanvullende pensioenen

Zoals hiervoor aangegeven wordt ons pensioensysteem het beste ter wereld genoemd en zijn de pensioenpotten goed gevuld. Waarom dan toch het systeem aanpassen. De voorstanders hebben het dan over het toekomstbestendig maken, en onderwijl de goede zaken in het systeem behouden. Laten we die argumenten eens wat beter bekijken.

Het kabinet stelt in zijn brief aan de Tweede Kamer over het concept-pensioenakkoord dat het stelsel ‘dringend aan vernieuwing toe’ is. Dat zou blijken uit de gestegen levensverwachting, de veranderde arbeidsmarkt en de financiële markten. “De crisis van 2008 en de langdurig lage rente lieten zien dat ontwikkelingen op de financiële markten sterk bepalend zijn voor de koopkracht en de mate van zekerheid van onze pensioenen. De systematiek van pensioenopbouw leidt tot herverdeling van jonge naar oudere werkenden en van mensen met weinig inkomensgroei tijdens hun loopbaan naar mensen die veel carrière maken. Ook de mogelijkheid van premiedemping zorgt voor herverdelende effecten. Financiële schokken kunnen door vergrijzing en ontgroening niet meer adequaat worden opgevangen, waardoor de robuustheid van ons stelsel in het geding is. Door het sturen op nominale zekerheid wordt beleggingsrendement nu niet direct gebruikt voor indexatie, maar eerst voor het aanvullen van buffers. Het langdurig uitblijven van indexatie en voortdurende discussies over verdeelregels ondergraven het maatschappelijk draagvlak voor ons pensioenstelsel.” Het kabinet vindt dat een “fundamentele aanpak van de geconstateerde kwetsbaarheden inmiddels urgent” is.

Het vergrijzingsargument

Al eerder hebben we hierboven aangetoond dat de gestegen levensverwachting prima opgevangen wordt binnen het huidige stelsel. De SER meent niettemin in haar advies dat het premie-instrument te bot is geworden om dat op te vangen, zonder dit nader te onderbouwen. We weten wel dat de winstgevendheid bij de meeste werkgevers weer enorm is geworden en dat het aandeel van de werkgevers in de premiebetaling steeds minder wordt, en dat ze ook steeds minder belasting betalen, dat investeringen achterblijven en dat vooral de loonontwikkeling achter blijft. De winsten worden vooral gestoken in dividenduitkeringen aan aandeelhouders, het opkopen van eigen aandelen, het speculeren in private equity en vastgoed en in het oppotten van reserves in belastingparadijzen. Dat is slecht voor de werknemers en gepensioneerden en slecht voor onze economie. Het vergrijzingsargument bij de aanvullende pensioenen lijkt mij klinkklare onzin.

Over indexeringen en kortingen

Wel zijn de huidige regels over indexatie en kortingen een probleem. Niet indexeren heeft grote koopkrachteffecten: 12 jaar niet indexeren kost je zo’n 27% pensioen! Bij veel pensioenfondsen is deze situatie nu al aan de orde en dat leidt tot grote onrust. Die onrust wordt nog groter doordat er binnen de huidige regelingen nu zelfs kortingen op de pensioenuitkeringen dreigen voor miljoenen pensioengerechtigden. Bij kleinere pensioenfondsen is dat al gebeurt.

Hoe zijn de huidige regels voor indexeren en korten? Voor het mogen indexeren geldt nu de grens van het Vereist Eigen Vermogen (VEV), dat wil zeggen dat de contante waarde van het eigen vermogen van het pensioenfonds tussen de 110-130% van de totale toekomstige pensioenverplichtingen moet zijn (de dekkingsgraad), afhankelijk van hoe risicovol het fonds zijn vermogen belegt. Voor verplichte kortingen geldt de eis van het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEM), vastgelegd op een dekkingsgraad van 104,3% vijf jaar lang achtereenvolgens.

In het concept-pensioenakkoord worden beide grenzen vervangen door één grens, die van 100% dekkingsgraad, per jaar. Zodra je op of boven de 100% zit mag je indexeren, en zodra je eronder zit moet je korten. Dat is gekoppeld aan een nieuw pensioencontract, dat minder een vaste pensioenuitkering garandeert.

Gesteld wordt dat het nieuwe systeem meer stabiliteit biedt, maar dat lijkt mij onzin. Het wordt juist volatieler, meer beweeglijk. Er wordt eerder gekort, en ook eerder geïndexeerd. Wel zullen kortingen geringer zijn, want er hoeft niet pas na 5 jaar gekort te worden. Maar als dekkingsgraad negatief blijft, help dat niets. Overigens is ook de noodzaak van het nieuwe pensioencontract voor de nieuwe grenzen onzin, want ook in het oude systeem was er geen harde pensioengarantie – die heeft nooit in onze pensioenwetgeving gestaan.

Hoe deze wijziging uitpakt is ongewis, want afhankelijk van de ontwikkeling van de dekkingsgraad van de fondsen. Voor twee grote fondsen, die voor de klein- (PMT) en de grootmetaal (PME) dreigen per 1 januari a.s. al kortingen. Die zullen zo als het er nu uitziet onder de 100% blijven, en dus niet geholpen worden door het concept-akkoord. Andere grote fondsen, zoals die voor de overheid en het onderwijs (ABP) en voor de welzijn en zorg (PZW), dreigen een jaar later gekort te worden, maar dat is dan afhankelijk van hun dekkingsgraad dan.

Bij de bepaling van de dekkingsgraad is het heel belangrijk hoe je de toekomstige verplichtingen en de waarde van het eigen vermogen waardeert. Hoeveel rendement wordt er behaald, waarmee mag je rekenen? Dat is de zgn. rekenrente. Dit concept-akkoord laat de systematiek van die rekenrente ongewijzigd, terwijl daar nu juist veel, m.i. terechte, kritiek op was. Wel komt er op korte termijn nog een advies daarover van de commissie Dijsselbloem, maar de kaarten lijken geschud. Zeker bij de gewijzigde normen voor indexeren en korten zal er weinig behoefte en ruimte zijn om daarnaast ook de rekenrente aan te passen.

Europees ligt vast in de richtlijn IORP II dat pensioenfondsen voor hun toekomstige pensioenbetalingen een prudente buffer moeten hebben. In een pensioenstelsel op basis van kapitaaldekking bestaat het uitbetaalde pensioen uit premies en de rendementen, die daar op zijn gemaakt. Momenteel is uitbetaald pensioen voor 30% gefinancierd uit premies en voor 70% uit rendementen. Daarom staat in de IORP II dat de toekomstige rendementen van de belegde middelen één van de twee uitgangspunten voor de bepaling van de buffer mochten zijn. De andere mogelijkheid is op marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige obligaties of Staatsobligaties.

De Pensioenwet (PW), die in 2007 werd ingevoerd, week voor een cruciaal onderdeel af van de tekst van deze Europese verplichting, namelijk voor de bepaling van de buffer. In de PW, artikel 126.2.a staat dat de Technische Voorziening op basis van marktwaardering moet worden berekend. Deze tekst over marktwaardering stond in 2007 niet in IORP I en nu ook niet in IORP II. Een markt voor de handel in pensioenovereenkomsten bestaat niet. Daarom werd in 2007 in het bijbehorende ministeriële besluit FTK, het Financieel Toetsingskader, artikel 2 vastgelegd dat de Technische Voorziening wordt berekend volgens de door de DNB gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur. DNB bepaalt de actuele rente-termijnstructuur op basis van de “interbancaire swap rates”, de rentes die banken elkaar onderling in rekening brengen. Deze methodiek om de Technische Voorziening aldus te bepalen, wordt in IORP I of in IORP II niet genoemd. Bovendien schommelen deze “rates “dagelijks, waardoor de Technische Voorziening met een zwalkende rekenrente moet worden bepaald. Deze “interbancaire swap rates” zijn niet relevant voor de rendementen, die fondsen als beleggers op de lange termijn behalen.

De eisen betreffende de buffers, zoals vastgelegd in de PW en in het FKT, en diens opvolger het nFTK, ingevoerd in 2015, zijn veel zwaarder dan die zijn vastgelegd in IORP II. In IORP II, artikel 17.2 geldt dat de buffers in totaal 4,3% van de Technische Voorziening moeten zijn. De overheid stelt dat de berekening van de Technische Voorziening met de actuele rentetermijnstructuur nodig is, zodat fondsen altijd voldoende middelen hebben om de toekomstige uitbetaling van de nominale aanspraken te garanderen. Deze garantie is, zoals hierboven al is aangegeven, nergens en nooit in de PW vermeld. De overheid blijft deze garantie, die niet bestaat, koppelen aan de huidige methodiek om de Technische Voorziening met de actuele rentetermijnstructuur te berekenen, dit in afwijking van IORP I en IORP II. Het gevolg hiervan is dat de gepensioneerden nu een deel van hun vorderingen op de fondsen niet krijgen uitbetaald, die zij onder de juiste toepassing van IORP I en IORP II wel hadden ontvangen.

Deze afwijking heeft de Nederlandse samenleving in de afgelopen 10 jaar vele tientallen miljarden gekost. Gepensioneerden hebben geen indexatie op hun pensioen ontvangen, die zij onder een juiste verwerking van IORP I in de PW wel hadden ontvangen. Zij hebben hierdoor veel aan koopkracht ingeleverd, zonder dat daarvoor een noodzaak was. De Nederlandse overheid liep hierdoor belastinginkomsten mis en moest zij ook meer toeslagen betalen, omdat de inkomens van gepensioneerden stagneerden. Fondsen moesten in die jaren vele miljarden afsluitprovisies betalen voor allerlei financiële instrumenten om zich tegen de gevolgen van die zwalkende rekenrente bij de Technische Voorziening te verzekeren. Fondsen hebben om diezelfde reden in die jaren voor honderden miljoenen aan adviseurs moeten betalen (Bron: NPB, Notitie: Bestrijding van misverstanden over pensioenen in Nederland, juni 2019).

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de aanpassing van de te hanteren rekenrente in 2007 kwam doordat de fondsen daarop aandrongen. In de toenmalige hoogconjunctuur dacht men zo beter af te zijn. Maar toen kwam in 2008 de crisis en stortten rendementen en rentes in elkaar. DNB en het kabinet verzetten zich tegen een aanpassing van de rekenrente omdat ze, mede tegen de achtergrond van de financiële crisis, Ze willen meer zekerheid, net als bij de banken, dan de EU eist. Maar het huidige systeem is wel erg prudent. Een beperkte verhoging van de rekenrente zou veel problemen met indexeringen en kortingen al voorkomen, terwijl de risico’s beperkt zijn.

Natuurlijk is er geen garantie voor de toekomst. De huidige hoge rendementen kunnen weer omslaan in grote verliezen. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat die rekenrente ons meer pensioenzekerheid biedt. De pensioenonzekerheid wordt veroorzaakt door iets anders, en daar doen we nog steeds niets aan: risicovol beleggingsbeleid.

Pensioenfondsen zijn zich de afgelopen decennia steeds meer gaan richten op snelle hoge rendementen. De fondsen zijn beleggers geworden in financiële ‘producten’ die financiële bubbels aanjagen, in plaats van investeerders gericht op echte economische productie. Bubbels die op enig moment altijd barsten. Behalve dat deze beleggingen de economie en werkgelegenheid kunnen schaden, maken ze de Nederlandse pensioenen ook uiterst afhankelijk van de financiële markten. Het systeem van dekkingsgraden en rekenrente zorgt ervoor dat de fondsen zich richten op een schijnwerkelijkheid. Een goed pensioenrendement is in dat systeem in werkelijkheid lucht.

Het grootste gevaar voor de Nederlandse pensioenen is dat het vermogen als sneeuw voor de zon wegsmelt bij een financiële crash. Daar helpt een lage rekenrente niets tegen, daar helpt alleen een ander beleggingsbeleid tegen. De grote wisselingen in beleggings­rende­menten wakkeren ook de spanningen aan tussen verschillende generaties premiebetalers c.q. pensioenontvangers: hoe groter de verschillen in resultaat, hoe belangrijker het wordt aan wie het verlies of de winst wordt toegerekend. Gaat de premie omhoog/omlaag of juist de pensioenuitkering? Het kost bovendien miljarden aan goudgerande beloningen en bonussen voor ­beleggingsbedrijven en ­handelaren.

Nog niet zo lang geleden, tot halverwege de jaren negentig, belegden pensioenfondsen verplicht vrijwel louter in echte bedrijven, in woningen en in staatsobligaties. Met de deregulering van de financiële sector in de jaren 1990 werden die regels losgelaten. Inmiddels beleggen pensioenfondsen voor minstens 85% in het buitenland en in de wildste financiële producten. In plaats van zich steeds verder te verknopen met de financiële industrie zouden pensioenfondsen weer moeten transformeren tot werkelijk publieke instellingen, die niet het snelle maar onzekere hoge rendement vooropstellen, maar maatschappelijk investeren. Dat leidt tot minder hoge pieken in beleggingsrendementen, maar ook tot minder diepe dalen.

Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door te beleggen in huurwoningen bijvoorbeeld is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken.

Pensioenfondsen moeten breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. We hebben allemaal, ook de pensioengerechtigden, belang bij een gezonde duurzame economie, een functionerende rechtsstaat, een goede infrastructuur, deugdelijk onderwijs en innovatie. Het is ook in het belang van de leden van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie. Pensioenfondsen zouden samen met overheid en sociale partners tot een nationale investeringsagenda moeten komen.

We moeten daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn. Als rendementen minder veranderlijk zijn omdat ze minder risicovol zijn, is het ook verdedigbaar dat het werkelijk rendement telt bij het bepalen hoe het pensioenfonds ervoor staat, en niet een fictieve, zeer lage rekenrente. Dan stijgt de dekkingsgraad, kan er weer geïndexeerd worden en kan het vertrouwen in het pensioenstelsel weer toenemen.

We moeten het beleggingsbeleid van pensioenfondsen zo reguleren dat de risico’s veel kleiner worden en daardoor de rekenrente kan worden aangepast. Dat betekent naast een verplichting om een belangrijk deel in Nederland en nog eens een percentage in de rest van de EU te investeren, we risicovolle en speculatieve beleggingen en beleggingen die in financiële, ecologische of sociale zin niet duurzaam of rechtvaardig zijn moeten verbieden en andere beleggingen in zakelijke waarden moeten beperken. Ook moeten we een plafond invoeren voor de uitvoeringskosten van de beleggingen.

Geen generatieconflict: de doorsneepremie versus pensioenplicht voor iedereen

En hoe zit het met de bewering dat ouderen het pensioen van jongeren ‘opeten’ of dat jongeren veel te veel moeten betalen doordat ouderen hun leven lang te weinig betaalden? Verplichte, collectieve aanvullende pensioenen kennen in ons land een verplichte doorsneepremie. De doorsneepremie houdt in dat iedere werknemer een even hoog percentage premie betaalt en daarmee jaarlijks ruim twee procent van zijn pensioen opbouwt, zodat hij of zij na 40 tot 45 jaar werken een volledig pensioen heeft. De premie die een 25-jarige inlegt kan echter 42 jaar renderen, de premie van een zestigjarige slechts zeven jaar (uitgaande van en pensioenleeftijd van 67). Volgens sommigen het toppunt van ‘oud teert op de zak van jong’. Met oneerlijkheid tussen jong en oud heeft dit echter niet zo veel te maken. Wie jong is wordt immers ooit oud, en wie oud is was ooit jong.

Tot pakweg de crisis van 2008 vond de pensioenstrijd voornamelijk plaats tussen werk­gevers en werknemers. De eersten betalen twee derde van de pensioenpremie, werknemers een derde. Eenzelfde verdeelsleutel is logisch als er moet worden bijgestort omdat de dekkingsgraad onder de maat is – in feite is de premie dan immers te laag geweest – maar met die redenering gingen werkgevers niet akkoord, het was toch crisis? Maar juist in crisistijd zouden we voor bescherming van werknemers en gepensioneerden moeten staan!

Bij de discussies over veranderingen in het pensioenstelsel helpt het niet dat oud en jong elkaar als concurrenten zijn gaan beschouwen. Daardoor vliegen oud en jong elkaar in de haren, met werkgevers als lachende derde. Doordat het pensioensysteem gebaseerd is op veel verschillende mechanismen is het niet moeilijk om selectief te winkelen en er een mechanisme uit te pikken dat uitermate onrechtvaardig is voor ouderen – of juist voor jongeren. Belangrijker is dat we de werkgevers weer aanspreken op hun verantwoordelijkheid om bij te storten. De overheid en de publieke sector (ABP en PFZW) zouden daarbij voorop moeten lopen.

Een belangrijke echte bedreiging van ons systeem van aanvullende pensioenen is dat steeds minder mensen (voldoende) collectief pensioen opbouwen. Nederland is kampioen flexwerk. Nergens in Europa werken zoveel werknemers zonder vast contract, en nergens neemt het verschijnsel zzp-schap zo’n vlucht als in ons land, vaak niet uit vrije wil maar uit gebrek aan een alternatief. Dat komt doordat de wetgever het laat afweten en er zo een race naar 19e-eeuwse arbeidsverhoudingen aan de gang is. Flexwerkers en zzp-ers bouwen geen of nauwelijks pensioen op, zijn niet tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid verzekerd, vallen niet onder de arbeidsomstandighedenwet, hebben geen ander vangnet dan de bijstand – en dan mogen ze niets bijverdienen. Mensen met lage inkomens doen vaker allerlei vormen van laag betaald, kortdurend flexwerk. Hun pensioenopbouw gaat pas in als ze ergens langer dan twee maanden werken (uitzendkrachten zelfs pas na zes maanden) en veel flexbaantjes zijn korter dan die twee of zes maanden. ZZP-ers bouwen helemaal geen pensioen op, tenzij ze hier zelf geld voor opzij zetten met een (dure!) regeling van een verzekeraar. Dit betreft vooral jongeren. Omdat zij daardoor weinig pensioen opbouwen pakt de doorsneepremie voor hen negatief uit.

Vanuit het perspectief van veel ZZP-ers hoeft er niet zo veel te veranderen: voor ZZP-pensioensparen geldt ongeveer dezelfde fiscale subsidie, en veel ZZP-ers sparen zelf óf hebben te weinig inkomen om premie te betalen. Maar vanuit het perspectief van de samenleving als geheel is er wel reden om ook voor ZZP-ers een collectieve pensioenvoorziening in te voeren. Dat is rechtvaardiger, verstevigt het financieel draagvlak en toekomstbestendigheid van ons collectief, solidair pensioensysteem, beperkt de kosten van ouderen met armoede en vergroot de koopkracht van ouderen (ook in het belang van jongeren!). ZZP-ers moeten daarom in plaats van de huidige zelfstandigenaftrek een wettelijk minimumtarief krijgen, dan kunnen zij de pensioenpremie betalen door het in rekening te brengen bij hun opdrachtgevers in plaats van bij de belastingbetaler. En het gaat het onvrijwillige ZZP-schap tegen, waar dit nu te goedkoop is. Flexwerkers en uitzendkrachten moeten ook vanaf het eerste uur pensioen opbouwen. De huidige franchises en uitsluitingen daarbij moeten worden verboden. Ook dit helpt vast werk te bevorderen, door flexwerk duurder te maken voor werkgevers. Een pensioenplicht lost het werkelijk probleem op voor jongeren.

Het concept-akkoord schaft niettemin de doorsneepremie af. Het premiepercentage blijft voor iedereen gelijk, maar naarmate iemand jonger is, geeft de betaalde premie recht op meer pensioen, is nu het plan. De overgangskosten van die wijziging zijn hoog: in totaal zo’n 60 miljard euro, zo’n 2 miljard euro per jaar als je het over 30 jaar uitsmeert. De rekening moet betaald worden uit de premie of uit de buffers. In de praktijk komt deze rekening vooral terecht bij de werkenden vanaf 45 jaar. Het zijn volslagen onnodige en onzinnige kosten, er wordt geen enkel probleem mee opgelost.

Gevaren zijn er ook: wie tot z’n veertigste niet in vaste dienst is – zoals een groot deel van de huidige 40-minners – of vanwege kinderen parttime werkt, en daarna alsnog vast werk bemachtigt, bouwt zonder ‘doorsneesystematiek’ straks veel minder pensioen op. Een fundamentelere oplossing zou zijn dat alle werkenden pensioen opbouwen, dus ook ZZP-ers en flexwerkers, ook sectoren en bedrijven waar nu geen aanvullend pensioen is. In het concept-akkoord is slechts een vrijwillige deelname voor ZZP-ers afgesproken en daarnaast komt er een ‘aanvalsplan’ voor de witte vlekken in de pensioendeelname, met name voor uitzendkrachten. Dat plan moet er zijn voordat de wijzigingen in het pensioenstelsel ingaan (beoogd is 2022), maar we weten hoe het met de afspraak over een nadere regeling van zware beroepen gegaan is bij het sociaal akkoord van 2013: nooit meer iets van gehoord.

Niet minder, maar meer pensioenzekerheid en collectiviteit

Het vertrouwen dat mensen hebben in een goed (toekomstig) pensioen kreeg de afgelopen jaren harde opdonders. En dan kan een vicieuze cirkel ontstaan: als het collectieve systeem blijkbaar zo onzeker is, spaart iedereen die het kan betalen liever z’n eigen kostje bij elkaar – en wie dat niet kan betalen is de klos. Verzekeraars hebben overigens belang bij de onzekerheid over het collectieve pensioen, zij willen graag meer individuele pensioenen of levensverzekeringen afsluiten en onzekerheid helpt daarbij.

De redenering van Rutte III en de werkgevers is dat garanties over de hoogte van het aanvullend pensioen moeten worden ingetrokken. Met onzekere beleggingsopbrengsten is het nu eenmaal lastig om een uitkering te garanderen die soms pas over veertig jaar ingaat. Het heeft de schoonheid van de eenvoud: gewoon geen beloften meer doen. Dan ben je ook van die verdomde rekenrente en dekkingsgraadberekeningen af. Werkgevers hebben belang bij het loslaten van de belofte: zij willen graag de loonkosten verlagen. Maar een beter of zekerder toekomstig pensioen levert het afschaffen van beloften natuurlijk niet op, integendeel.

Als de belofte van een waardevast pensioen wegvalt, ontstaat al gauw een domino-effect. Want als de uitkering niet vaststaat, zullen mensen op een andere manier willen controleren of ze krijgen wat hun, gezien de betaalde premies, toekomt. Een eigen pensioenpotje dus, waarbij individuele keuzes meer bepalend worden voor het beleggingsresultaat – dan kan je alleen jezelf wat verwijten. En dan gaan de vele vormen van solidariteit die er in het huidige pensioenstelsel zitten al gauw schuiven: willen mensen die goed geboerd hebben tijdens winstgevende beleggingsjaren hun pot dan nog delen met mensen die hun potje vooral opbouwden in slechtere beleggingstijden? Of met mensen die pech hebben door inflatie of deflatie? En als je toch een ‘individueel potje’ hebt, hoe logisch is het dan nog dat je via je werkgever vastzit aan één bepaald pensioenfonds? Maar als dat wordt losgelaten, hoe hou je dan risico­selectie door pensioenfondsen en door premiebetalers buiten de deur?

Hierboven is echter al aangetoond dat de houdbaarheid van ons aanvullend pensioensysteem helemaal geen probleem hoeft te zijn – als je de beleggingsrisico’s van pensioenfondsen maar goed beperkt. Bovendien kan de overheid met een zeer gewenste verhoging van de AOW als basispensioen de houdbaarheid van aanvullende pensioenen verder verhogen. Als alle werkenden gaan deelnemen komen er ook weer meer premies binnen, waardoor er ook weer meer risicodeling mogelijk is.

Individualisering van aanvullende pensioenen geeft bovendien grote risico’s. In landen waar mensen zelf mogen kiezen zijn de kosten hoger, maar de beleggingsresultaten lager. Fondsen waren er veel extra geld kwijt aan klantenwerving, of er ontstond een soort oligopolie met weinig marktwerking. De ervaringen met de keuzes uit zorgverzekeringen zijn duidelijk: het aantal overstappers is zeer gering, de transparantie over de gevolgen van een keus dramatisch slecht, de markt is feitelijk verdeeld. Bij pensioenen speelt extra dat mensen op korte termijn denken, terwijl pensioenen beslissingen vereisen over 40 jaar.

Het CPB stelde in juli 2016 terecht dat het voor een individu bijna onmogelijk is pensioenen te vergelijken. Als de individualisering doorzet dan moeten werkenden straks door een oerwoud gegidst worden van franchises, rekenrentes, langlevenrisico’s en pensioenholidays. Een heel leger aan pensioenadviseurs en pensioenverzekeraars zullen er een goed belegde boterham aan verdienen, maar de meeste werkenden zullen massale verarming en ongelijkheid op hoge leeftijd tegemoet gaan. Men wordt dan teruggeworpen op de AOW, en zolang die nog opbouweisen en kortingen kent, zullen de slachtoffers daarvan aangewezen zijn op aanvullende uitkeringen.

Financieel analfabetisme is van alle tijden. Twee-derde van de wereldbevolking lijdt eraan, concludeerde de Wereldbank in 2015. Niettemin moet volgens de heersende opinie in en rond het Binnenhof nu ook de aanvullende pensioenen, geïndividualiseerd en gecommercialiseerd worden. De burger moet zelf keuzes kunnen maken. Het is net of mensen die in het Amsterdamse Bos al verdwalen in het Amazone-oerwoud worden gedropt.

Zowel de WRR (Weten is nog geen doen) als de Nationale Ombudsman (In het krijt bij de overheid) waarschuwen dat overschatting van de zelfredzaamheid van de burger nu al heeft geleid tot grote financiële problemen, ook bij werkenden. De WRR stelt terecht dat eigen verantwoordelijkheid en ‘zelf kiezen’ als gietijzeren maatstaf voor beleid tekortschieten. De WRR beveelt aan om het aantal keuzes te verminderen en dus beslist niet te vergroten. Te vrezen valt dat de WRR tot nu toe bij het pensioendossier nog niet erg gehoord wordt.

Individualisering van aanvullende pensioenen zonder belofte van een waardevast pensioen zal de ongelijkheid nog verder toenemen. Een groot deel van de mensen zal kiezen voor nu meer bestedingsvrijheid met een lager pensioen na hun 70e. Of ze stellen de premiebetaling uit om een mooier huis of duurdere auto te kopen. Verleidingen genoeg. De gevolgen van deze keuzes komen straks geheel voor eigen rekening, verkeerde beleggingskeuzes is dikke pech, eigen schuld – zelfredzaamheid, weet u nog? Ook tussen generaties zal er sprake zijn van een wisselend beleggingssucces. Het nieuwe systeem zal leiden tot nog meer scheve ogen en keuzestress, meer bureaucratie en kosten, en ongelijkere pensioenen. Die zullen met het nieuwe systeem ook niet zekerder worden, integendeel.

Uit een doorberekening van het CPB van voorstellen die binnen de SER besproken worden (Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met een collectieve risicodeling) blijkt bovendien dat eigen pensioenpotten bij je pensioenfonds een wig drijven tussen generaties. Uit de CPB-berekeningen bleek dat 40-plussers er op achteruit gingen (tot -10%) en jongeren erop vooruit. De gesprekken in de SER gingen vooral over hoe deze achteruitgang van de ouderen te compenseren.

Het concept-akkoord maakt niettemin stappen richting meer keuzes in het collectieve pensioen. In de premieopbouw, in het beleggingsbeleid en in het geven van de mogelijkheid om 10% van je aanvullend pensioen in één keer op te nemen. Daar zitten niet alleen grote risico’s aan verbonden, ze vergroten ook de ongelijkheid. Mensen met meer inkomen hebben altijd meer aan keuzemogelijkheden – denk aan de huurder die zijn hypotheek niet kan afkopen (en ook geen hypotheekrenteaftrek ontvangt a 13 miljard euro per jaar, maar wel in de armoedeval zit van de huurtoeslag a 3 miljard euro per jaar).

In plaats van individualisering en het onzekerder maken van aanvullende pensioenen moeten we pensioenen zekerder maken, de collectiviteit versterken (door iedereen die werkt onder het stelsel te brengen), en werkgevers weer aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Zo maken we ons pensioenstelsel zekerder, eerlijker en meer solidair.

Conclusie

Het concept-akkoord brengt op het punt van de AOW-leeftijd verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Op het punt voor de regeling voor zware beroepen/lage inkomens is die verbetering naar mijn oordeel zwaar onvoldoende – maar nog wel steeds een verbetering.

Wat betreft het pensioenstelsel beoordeel ik de voorgestelde wijzigingen als bijna allemaal verslechteringen ten opzichte van de huidige regeling. Het enige positieve is dat op korte termijn (vanaf 2021) een aantal kortingen achterwege zou kunnen blijven (die per 2020 lijken wel door te gaan), en dat er wat sneller geïndexeerd kan worden. Dit zijn waarschijnlijk tijdelijke effecten, het systeem wordt op de lange termijn minder stabiel. Het vertrouwen in het stelsel zal daardoor nog sneller afkalven. Aan het echte probleem bij de houdbaarheid van onze aanvullende pensioenen (een te lage rekenrente in relatie tot te weinig gereguleerd vermogensbeheer) wordt niets gedaan. Bij een volgende crisis zullen de buffers niet toereikend zijn. Ook de andere wijzigingen zullen voor sommigen verbeteringen brengen en voor anderen verslechteringen. Deze effecten zullen ongelijk uitpakken, meer negatieve effecten voor lage inkomens en meer positieve effecten voor hoge inkomens. Ook dit zal het vertrouwen in het stelsel verder ondermijnen. Het probleem van geen of nauwelijks pensioenopbouw door flexwerkers en zzp-ers wordt nauwelijks opgelost, en dat ondermijnd de solidaire financiering van het stelsel. Generatieconflicten zullen verder aangewakkerd worden, en ook dat zal het vertrouwen verder ondermijnen.

Inhoudelijk ben ik daarom gauw klaar met dit akkoord: onvoldoende. Maar vervolgens moet je ook de vraag stellen of een beter resultaat haalbaar is, na al 9 jaar actie voeren en onderhandelen. De onderhandelaars menen van niet. Ze zijn bang dat als we nu niet ja zeggen we met lege handen staan.

Ik ben niet van de school dat er geen compromissen gesloten kunnen worden. En het is ook volstrekt onterecht om de onderhandelaars van de vakbond nu te beschuldigen van verraad aan het grootkapitaal, van zwakke knieën, van bewust geen beter resultaat willen halen. Ik neem daar volledig afstand van. Maar tegenstanders van het akkoord zijn ook geen verraders van de onderhandelaars, en hebben inhoudelijke en strategische argumenten om in dit geval een andere afweging te maken.

In het onderhandelingsspel ontstaat vaak een eigen dynamiek, waarin je er samen uit wil komen. Weglopen is moeilijk, en vast houden aan harde eisen kan al snel geframed worden als weglopen van je verantwoordelijkheid. De onderhandelaars hebben GL en PvdA bereid gevonden hun akkoord te ondersteunen, wat een meerderheid in beide Kamers garandeert, en voorkomt dat ze aan die kant links worden ingehaald. De SP had zich door zijn compromisloze opstelling over hun eis om de AOW-leeftijd te verlagen naar 65 jaar, helaas volledig buiten spel gezet. Dat is jammer omdat ze in ruil voor hun steun wel een beter resultaat voor zware beroepen, zzp-ers en wijzigingen in het pensioenstelsel hadden kunnen eisen.

De dynamiek kwam onder druk doordat de onderhandelaars gevoelig waren voor de tijdsdruk. Als er geen akkoord lag voor 1 juli a.s., dan zou de volgende stop in de AOW-leeftijdsverhoging met vier maanden niet tegengehouden kunnen worden, en dreigen er kortingen op de aanvullende pensioen per 1 januari a.s. Ik vind dat die tijdsdruk niet zo’n zware rol had moeten spelen, de kortingen per 1 januari lijken immers toch door te gaan, en die drie maanden extra aan pensioenleeftijd had ik graag opgeofferd aan een betere regeling op de andere dossiers.

Bovendien meen ik dat dit kabinet uitermate zwak staat. Ze hebben geen meerderheid meer in de Eerste Kamer, en er is veel onrust in hun eigen achterbannen. Bij geen akkoord en toch korten van AOW-uitkeringen en verhogen van AOW-leeftijd zal die onrust niet verder afnemen. Bij geen steun van FNV aan het akkoord vervalt naar ik mag hopen ook de steun van GL en PvdA, en is er dus alsnog geen meerderheid.

De maatschappelijke steun voor de pensioenacties was historisch hoog, maar het is natuurlijk onzeker of dat zo blijft bij een afwijzing van dit akkoord, en de deelname aan acties was in de ene sector ook veel hoger dan in andere sectoren.

Als het akkoord wordt afgewezen bestaat er ook het risico dat de FNV zo verdeeld raakt, dat er geen enkel perspectief meer is. Maar dat geldt andersom ook, zo vrees ik.

Liever had ik gehad dat dit concept-akkoord niet gesloten was. Maar nu het er is, moeten we allemaal een verantwoordelijke afweging maken. Wat ook de uitkomst van de ledenraadpleging is, die moet gerespecteerd worden. Dat zal ik ook doen. We moeten samen verder, er komen altijd nieuwe rondes en nieuwe kansen. Ons laten verdelen na een ledenraadpleging is wel het domste wat je kunt doen.

Alles afwegende zal ik tegen stemmen. Inhoudelijk heb ik dat hierboven uitvoerig uitgelegd. En strategisch hoop ik dat we het aandurven om het kabinet een zeperd te laten halen. Dat geeft naar mijn overtuiging op de iets langere termijn meer kans op een aanzienlijk beter resultaat.

Gerard Bosman

[1] Bron: http://www.seo.nl/uploads/media/2017-09_Inkomenspositie_ouderen.pdf

Dit bericht is geplaatst in Diversen, Iets om over na te denken. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.